donderdag, april 03, 2008

Faalangst

Het jaar is 1970 en het is winter. In het warme klaslokaal van de kleuterschool zit ik achter een klein tafeltje ingespannen naar een leeg vel papier te staren. Ik ben bang. Het angstzweet staat me op de rug want ik vrees de toorn van de juf. Zij heeft me een onmogelijke opdracht gegeven. Eentje die ik niet begrijp, net als het knutselwerkje van die week daarvoor. Toen moesten we een kabouter uitprikken met een naald, terwijl ik toch zeker wist dat onze kleuterschool over een stel scharen beschikte. Af en toe twijfel ik aan de goede bedoelingen van de juffrouw. Ze lijkt over een aantal sadistische trekjes te beschikken. Zo moesten we de week vóór kabouter Prikpapier een schilderij maken. Niet met verf, neehee, dat was te gemakkelijk en niet creatief genoeg. We moesten het doen met lijm en kanariezand. Kwastje in de plakselpot, verven op zwart papier, zand erover, schudden en klaar was mijn kunstwerk, dat als enige voordeel had, dat het door zijn reliëf ook door blinden kon worden bekeken.
Deze week is het niet veel anders. We moeten scheuren. Een techniek die handig van pas komt als je nog eens een keer op een onbewoond eiland aanspoelt zonder schaar. In de bewoonde wereld, achter mijn bureau lijkt het nut ervan ver te zoeken. Ik kijk naar de vouwblaadjes en ik probeer me voorstellen hoe ik hier ronde vormen van moet scheuren. Ik heb geen idee, deze opdracht zal ik nooit met succes kunnen vervullen.
Opeens staat de juf achter me. “Waarom heb jij nog niets gedaan?”, zegt ze streng. Ik schrik, een golf van paniek overspoelt me. Ik kijk naar boven en zie haar strenge frons. Met toegeknepen keel piep ik: “Ik weet niet hoe het moet”. In plaats van me lief over mijn bol te aaien wordt ze boos. Slechte nacht gehad, ruzie met haar vriend, of had ze gewoon een hekel aan jankers? Geïrriteerd begint ze te scheuren. Niet voorzichtig en met beleid, nee, met grote halen. “Hier, ik zal je even helpen”, bijt ze me toe. Het resultaat gooit ze voor me neer: een paar vormeloze wit papieren driehoeken, die ik maar gehoorzaam boven elkaar plak. Van schrik weet ik er zelfs nog een oranje neus en een zwart hoedje uit te persen. Mijn sneeuwman is klaar. Ik veeg de tranen van mijn wangen.

Het jaar is 2008 en het is lente. Op de eerste verdieping van ons huis staan al een paar dagen twee Ikea kastjes klaar om aan de muur bevestigd te worden. Het in elkaar zetten was geen probleem, maar het aan de muur bevestigen daar zie ik tegen op. Welke schroeven en pluggen moet ik gebruiken, hoe diep moet ik boren? Straks vallen ze van de muur. Iedereen weet toch dat ik geen klusser ben, waarom word ik dan toch steeds gedwongen om de handige Harry uit te hangen?
Eigenlijk wil ik tegen “K” zeggen: “Ik weet niet hoe dat moet”, maar ik ben bang dat ze boos wordt en me een schop onder me kont geeft.
Maar ach ja, misschien heb ik die gewoon wel nodig.

Labels:

donderdag, maart 20, 2008

Ontmoeting van de week

Net als elke andere gereformeerd vrijgemaakte jongen werd ik in mijn jeugd veelvuldig blootgesteld aan de boeken van Piet Prins. Niets mis mee, want het was goed leesvoer. Alle delen van “Holland onder het hakenkruis” en “Snuf de hond” werden door mij verslonden als bloembollen in de oorlogswinter. Samen met mijn vriendjes lag ik, na het lezen, met mijn pvc-buisgeweertje in onze zelfgemaakte loopgraven en schoten we witte besjes naar die gemene Duitsers. Ondanks het feit de ik me, door de PP boeken best bewust was van de ernst van de oorlog, vond ik het bijna jammer dat ik die spannende periode niet had meegemaakt.
Jaren later, tijdens een Wimbledon finale, werd ik nogal in de war gebracht door het feit dat ik die Boris Becker eigenlijk wel een aardige gast vond. Het begrip “sympathieke Duitser” klonk mij, na een jeugd vol Piet Prins boeken en een verloren wk-wedstrijd nog steeds in de oren als een contradictio in terminus. Maar het kon dus toch!
Nog later, tijdens liftvakanties door Duitsland kwam ik er gaandeweg achter dat de meeste inwoners van dit land eigenlijk betere manieren hadden dan mijn eigen landgenoten, die in de meeste gevallen helemaal niet zoveel leken op de verzetshelden uit de boeken van Piet. De meerderheid keek tijdens de oorlogsjaren, in plaats van de held uit te hangen, eigenlijk liever even de andere kant op. Hadden we tenminste toch wat gemeen met onze Oosterburen. We hadden het allemaal niet gewusst.
Uiteindelijk werd mijn beeld van de Duitser, tijdens mijn Wagons Lits tijd (the lazy years), helemaal opgekrikt door de komst van M., een uiterst sympathieke import germaan, knuffelallochtoon avant le lettre, die al stotterend de laatste restjes vooroordeel als sneeuw voor de zon liet verdwijnen.
Vandaag kwam ik hem weer tegen bij Albert Heijn, waar hij net als ik zijn paasboodschappen in zijn winkelwagentje stond te laden. Blij verrast schudde hij me de hand. Hij wist al dat ik kort geleden in deze buurt was komen wonen, want hij woonde in dezelfde straat als ons en had me al een keer langs zien rijden. Tegenwoordig was hij aan de slag als glazenwasser en als ik er nog een nodig had, wilde hij best een keer onze ramen komen lappen.
Leek me een prima idee, of zal ik hem gewoon eens uitnodigen om een middagje witte besjes te komen schieten? Zo’n pvc geweer is gauw gemaakt.

Labels:

dinsdag, december 11, 2007

"Niets is er zo gezellig..."

Dat de televisie leugens verkoopt was mij al snel duidelijk. Zo zat er een bijzonder liedje in de poppenkast serie van Suske en Wiske die de Tros ergens eind jaren zeventig uitzond. “Niets is er zo gezellig als samen de afwas doen” zong het hele stel uit volle borst. Dat tante Sidonia en Lambiek meehielpen met hun stijve poppenkastarmpjes, vond ik al redelijk ongeloofwaardig. Wij moesten de afwas namelijk helemaal alleen doen en ik kan je één ding vertellen; bijna alles was toen gezelliger dan samen afwassen. Ik was lid van afwasteam 1, samen met mijn oudere zus B. Op de koelkast had mijn vader een lijst geplakt, waar precies op aangegeven stond wanneer ons team in actie moest komen. Het hele gezin rekende op ons, tenminste drie dagen in de week, maar na een lange schooldag en huiswerk in het vooruitzicht viel de vaat ons zwaar. Die bestond namelijk uit stapels vette borden en pannen, die eerst met een schuursponsje afgespoeld moesten worden om later door een gloeiend heet sopje te worden gehaald. Deze afwas, van een gezin met 9 leden, was er een voor gevorderden. De frustratie over de aangekoekte resten en de onduidelijke taakverdeling (want: hoorde het afruimen nou bij het afwassen of bij het afdrogen en wie moest er op het eind het aanrecht afnemen?) reageerden we doorgaans op elkaar af. Zus B. gaf me in geval van ruzie vaak “the silent treatment”, want zij was de oudste en al best wel volwassen. Ik niet. Ik gebruikte wapens als de flessenlikker, de pollepel of gewoon de natte theedoek (zeer effectief!).
Echt gezellig was het dus niet, die afwas.
Vandaag de dag is de afwas een rustmoment. Bijna een soort meditatie, mits je hem alleen doet. Vreemd hoe iets zo kan veranderen. Al mijmerend glijden de bordjes in het sop. Mijn gedachten drijven af naar een plek waar de drukte van de dag van me af glijdt en waar nieuwe ideeën me zomaar komen aanwaaien. Samen de afwas doen? Slecht idee. Die afwas moet je lekker in je eentje aanpakken.
Over anderhalve maand hebben we een afwasmachine. Zal ik het gaan missen? (Vast niet)

Labels:

zaterdag, november 10, 2007

Plugger

Ik heb het hier wel eens vaker gehad over die vervelende neiging van mezelf om mijn muziek bij vrienden en familie te pluggen. Vandaag de dag kan ik maat houden, maar vroeger kon ik dat zeker niet. De eerste keer dat ik me bewust werd van het feit dat mensen niet altijd even open staan voor het muziek evangelie van Ary was op de zolder bij vriend G. Allebei voor het eerst op kamers genoten we van onze vrijheid en van het feit dat we non stop muziek konden draaien zonder daarbij te worden lastig gevallen. Vervelend karaktertrekje van mezelf was dat ik niet alleen op mijn eigen kamer mijn eigen muziek wilde draaien, maar dat ik ook op bezoek bij G. de muziek probeerde te verzorgen. Zo trok ik bij voorkeur de platen uit zijn kast die ikzelf ook had en legde ze op zijn draaitafel. Iets wat G. op den duur niet echt op prijs stelde. Hoe hij me dat toen duidelijk heeft gemaakt weet ik niet meer, maar we zaten op de Sociale Academie. Een zekere dosis assertiviteit zal hij daar zeker bij gebruikt hebben.
Dat niet alle plug projecten zijn mislukt bleek vandaag. Tot mijn stomme verbazing eigenlijk. Oud klasgenote M. stuurde me een krabbel (ja, ook ik zit op Hyves) waarin ze me vroeg of ik nog wel eens naar de groep Barclay James Harvest luisterde. Om eerlijk te zijn was ik deze groep, met een naam alsof ze indertijd een aantal A-merken op een hoop hebben geharkt, al een beetje vergeten. Dit was nog uit de tijd dat ik naar Symfonische Rock luisterde. M. beweerde dat ik haar vroeger fan had gemaakt van deze groep. “Ik stuur je wel even een mp 3-tje” krabbelde ze later en zo geschiedde met als gevolg dat ik nu naar een heel mooi liedje te luisteren. “Goed geplugd Ary”, denk ik tevreden, “zelfs toen had je echt smaak”. (U mag nu een teiltje pakken)

Labels: ,

dinsdag, november 06, 2007

Zwemmen met Openbaren

Nakker moest naar het zwembad. Kijken hoe zijn jongste spruit daar het hoofd boven water probeerde te houden. Daar hadden ze namelijk een speciale dag voor georganiseerd, zodat ook de ouder die iets minder zorgtaken op zich neemt toch eens wat interesse kan laten blijken. Belangrijk volgens zijn vrouw en alle pedagogen in Nederland en de rest van de wereld (behalve die landen waar de heersende doctrine leert dat je je kinderen maar het beste met een stuk hout kan afranselen voor het beste resultaat. Onder het mom van: “wie men liefheeft kastijdt men” en “een goede vader spaart de roede niet”)
Mooi moment voor mij om maar eens wat stoere verhalen te vertellen over mijn zwemles in Axel, Zeeuwsch Vlaanderen, waar ik op mijn vijfde levensjaar zelf op mijn fietsje naar het zwembad moest om de schoolslag en de borstcrawl te leren. Geen ouder die me begeleidde en geen vader die kwam kijken. Deze opvoeding was niet voor mietjes, hier werden karakters gevormd. Alleen de eerste keer ging mijn moeder met me mee en dan wordt het verhaal ook meteen iets minder stoer. Toen mijn moeder voortijdig het pand dreigde te verlaten zette ik het namelijk op een brullen. Ik durfde niet alleen, want het huiskamerzwembadje van meester Arons, dat eigenlijk geen zwembad mocht heten zat vol vreemd volk. Kinderen die geeneens op mijn gereformeerde school zaten. Het waren Openbaren! In de kleedkamer had ik hun heidense gezang al gehoord: “..en Adam sloeg Eva met de suukerbiete voor de kont, holladijee, holladijoo”. Dat was iets anders dan psalm honderdvijftig. Zou dit gedrag besmettelijk zijn? Toen mijn moeder me toch met zachte dwang in het lesbad had gekregen werd ik meteen aangeschoten door een van de ongelovigen. De kleuter vroeg: “Was jij dat, die zo huilde in de kleedkamer?”. Ik loog. Nog maar amper in het zwembad was ik blijkbaar meteen al aangestoken door het virus van de Openbaren. “Nee, natuurlijk niet”, zei ik stoer en vertrouwde er maar op dat de tranen op mijn wangen werden aangezien voor druppels zwembadwater. “Volgens mij was dat een ander jongetje”.

Labels:

donderdag, augustus 02, 2007

Verkering

Zij is bezig met een interessante reeks over al haar ex-vriendjes. Als ik daar zelf aan zou beginnen, zou ik al snel klaar zijn. Mijn ex vriendinnetjes zijn namelijk op de vingers van 1 hand te tellen. Als ik daarentegen zou gaan schrijven over al die meisjes waar ik ooit verliefd op ben geweest zou het eindresultaat een boekwerk zijn dat qua omvang vergelijkbaar zou zijn met Lou de Jongs: "Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog”
Licht ontvlambaar dus, maar als het er op aan kwam gaf ik niet thuis. Simpelweg omdat ik mezelf nogal een nerd vond (en ook was) en omdat ik me nooit kon voorstellen dat de gevoelens die ik voor iemand koesterde wel eens wederzijds kon zijn.
De keren dat het er toen wel van kwam was vooral te danken aan het hardnekkige doorzettingsvermogen van de dame in kwestie. Zo moest ik laatst opeens weer denken aan R., eigenlijk alleen omdat ik haar broer opeens tegen kwam in het winkelcentrum. Ik groette hem, maar hij bleek mij niet te zien of te herkennen. Of hij wílde me niet zien natuurlijk. Later bleek hij opeens de buurman te zijn van Nakker, mijn nieuwe Bureaumaatje.
Het feit dat ik op een bepaald moment verkering had met zijn zusje was eigenlijk min of meer toevallig. Ik kende haar uit de kerk. Ze zat ook altijd boven op de galerij en ik kon het niet nalaten om naar haar te kijken, want ik vond haar knap. Daarbij verveelde ik me ook stierlijk. Kijken naar haar was een goed alternatief voor het tellen van de gebrandschilderde raampjes.
Later zocht ze opeens toenadering. Ze gebruikte een smoes. Het had iets te maken met een werkstuk en ik kon haar daarbij helpen. Iets wat ik graag deed. Voordat ik het wist kwam ze bij me over de vloer en gingen we gezamenlijk naar feestjes. Ik vond haar voornamelijk knap. Wat ik verder voor haar voelde wist ik niet precies. Maar “knap” was voor mij toen reden genoeg om geruime tijd om haar heen te dralen, zonder daarbij enige actie te ondernemen. Totdat ze zelf de knoop maar eens doorhakte. “Iedereen denkt dat we verkering hebben”, zei ze opeens. Door deze opmerking raakte ik enigszins in paniek en deed me uitbreken in een genant gestamel en gestotter. Iets wat overigens wel resulteerde in verkering of iets dat er op leek, maar wat het nooit echt was. Na drie weken had ze er weer genoeg van en maakte ze even resoluut een eind aan de relatie. Gelukkig maar, want we waren net zo compattible als mijn MP3 speler tegenwoordig is met mijn computer (die herkent het ding ook opeens niet meer als iets dat bij hem past.)

Labels: ,


 

 Subscribe in a reader